Tekst Redactie Het Oud-Kanaaltje · Leestijd ± 18 minuten
· 22-09-2025
Op het Buurtje van Dijksman (’s-Gravenweg 202–218) woonden mijn oma, Teuntje Baas-Lingen, en opa, Leen Baas, op ’s-Gravenweg 216. Teunis en Jan waren hun kinderen. Op nummer 204 woonden Thijs en Sien van Mullem, op 212 ome Arie en tante Jo, op 214 Be
Op het Buurtje van Dijksman (’s-Gravenweg 202–218) woonden mijn oma, Teuntje Baas-Lingen, en opa, Leen Baas, op ’s-Gravenweg 216. Teunis en Jan waren hun kinderen. Op nummer 204 woonden Thijs en Sien van Mullem, op 212 ome Arie en tante Jo, op 214 Bertus en Suus van Erkel, en op 218 Albert en Jaantje Noordlander. Dit verhaal is in 2011 geschreven aan de hand van de herinneringen van oma Laika, zoals wij onze oma noemden. Het verhaal vertelt in gedetailleerde vorm hoe zij de oorlog heeft meegemaakt. Mochten verhalen over de oorlog negatieve emoties bij u oproepen, dan raden wij u aan dit verhaal niet te lezen. Een nieuwe ochtend, een nieuwe dag. De deur sloeg dicht met een klap, en mijn man Leen ging de straat op met zijn kerry, zijn groentenkar. Toen ik de deur hoorde dichtslaan, kon ik nog niet weten dat op die 14 mei 1940 het niet de laatste knal zou zijn die ik die dag zou horen. Het was altijd gezellig op het buurtje waar wij woonden, ieder kende elkaar en wij waren een klein dorpje op zich. Het buurtje ligt ingeklemd tussen de ’s-Gravenweg 202 en de spoorlijn. “De Duitsers bombarderen Rotterdam.” Niet veel later werd het donker buiten, de wind stond onze kant op, en de rook trok over Nieuwerkerk. Er dwarrelde veel vuiligheid, roet en papier neer. De was die ik ’s ochtends nog fris had opgehangen, zag pikzwart van de rook. De volgende morgen ontwaakte de zon op dezelfde manier als hij elke dag deed, alsof er niks aan de hand was. Maar het gevoel was anders, het was oorlog. ’s Middags hoorden wij veel geroezemoes op de ’s-Gravenweg en besloten te gaan kijken. Wij waren niet de enigen die nieuwsgierig waren; alle buren stonden vooraan de brug. Over de ’s-Gravenweg trokken de eerste gevluchte Rotterdammers. Zonder huis, zonder baan. Ik had met ze te doen. Ik werd aangeklampt door een man die met zijn zoon kwam anstrompelen. Ze hadden geen huis meer en zochten onderdak voor de nacht. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen, en ik nam ze mee naar huis. Wij hoorden de verhalen aan over het verschrikkelijke bombardement, en we gaven ze te eten en te drinken. Het werd donker en we gingen naar bed; we wensten ze een goede nacht. De volgende ochtend werd ik wakker en voelde een tocht door het huis gaan, alsof de deur openstond. Het zou toch niet zo zijn, ik slaakte een diepe zucht. Ik maakte mijn man wakker en vertelde hem dat ik een tocht door het huis voelde gaan. “Het wordt steeds grimmiger op straat”, vertelde mijn man op een donkere avond toen we aan de koffie zaten. “Mensen worden arm, ik spreek onderweg met veel mensen en iedereen heeft honger”. “Ik ben zo bang, dat ik straks de jongens niet meer kan voeden”, vertrouwde ik hem toe. “Ik zal zorgen dat we geen honger zullen krijgen”, beloofde hij me. Hij had gelijk, omdat mijn man groenteboer was hebben wij het niet slecht gehad, maar de andere levensmiddelen werden schaarser en veel was op de bon. “Ik ga zo naar bed” zei ik tegen hem. Ik was moe, ik was die dag al vroeg opgestaan om aardappelen en graan te gaan kopen in Zevenhuizen. Al vroeg in de ochtend liep ik met mijn buurvrouw Sien en zus Jo daar naartoe. Over de Kerklaan en de dijk liepen we net als vele andere richting Zevenhuizen. Eenmaal in Zevenhuizen aangekomen moesten we in de rij staan. En als je eindelijk aan de beurt was kreeg je maar een klein beetje mee, wat je de lange weg terug naar Nieuwerkerk met je mee moest tillen. “Ik wil dat je morgen met me mee gaat, met de jongens” zei mijn man. “Met je mee de ronde doen?” Met bemoedigende woorden probeerde ze me te troosten. Ik was verdrietig en moe van het piekeren die nacht ervoor. Ik nam de jongens mee naar huis. “Wanneer komt papa thuis”, vroeg de oudste. “Ik weet het niet jongen”, zei ik, met een snik in mijn stem. We begonnen met zijn drieën zachtjes te huilen, niet wetende wat er zou gebeuren. Ik telde de dagen af tot dat ze Leen weer vrij zouden laten. Het was vreemd elke ochtend wakker te worden met niemand naast me. Leen werd vastgehouden op het Haagsche Veer in Rotterdam. De week leek eeuwig te duren, en ik was dan ook zielsblij toen hij werd vrijgelaten. Ik keek uit het raam, ik zag mijn warme adem op de ruit veranderen in aanslag. Het werd kouder, en de winter van 1944, welke later bekend zou worden als de Hongerwinter, kwam eraan. Het werd december, ik ging op bezoek bij buurman Albert. “Wat zie je er slecht uit Albert”, zei ik tegen hem toen hij de deur opendeed. Albert zuchtte: “Ik weet het niet meer Teuntje, die kleine heeft zo’n honger de hele tijd; ik geef hem al het eten wat we hebben”. “Ik weet het”, zei ik, “ook de jongens eten bijna meer dan ik en Leen. Het lijkt bijna wel; hoe minder eten er is, hoe meer ze nodig hebben om vol te zitten”. - Distributie Stamkaart - Ik zag ze gelukkig al op het Hitlandselaantje staan naast de kerry, maar mijn man was nergens te bevinden. Aan de overkant van de sloot bij boer de Jong zag ik een man dood liggen. De jongens waren kleddernat, ik begreep er niks van. “Waar is je vader?” vroeg ik aan ze. “Met buurman Thijs naar het huis van Kool”, zeiden ze. Toen zag ik pas dat het huis van Kool naast het Hitlandselaantje voor een gedeelte was ingestort. Ik nam de jongens en de kerry mee naar huis. Ik stuurde de jongens naar tante Jo, en rende weer terug de ’s-Gravenweg op. Eindelijk kwam Leen aangelopen. “Waar zat je?” vroeg ik aan hem, ik was zo ongerust! “We zijn naar het huis van Kool gegaan, de boerderij lag in puin en allerlei mensen lagen eronder; het is een verschrikking”. Hij was ontroerd, “we hebben er mensen onder vandaan kunnen halen. Maar er zijn ook mensen overleden, het is verschikkelijk”. Voorbij de kruising bij Honkoop tot aan Kortenoord leek het een veldsalg. Er lag een vrouw die geraakt was door de glasscherven van gesprongen ramen. Overal hoorde ik mensen gillen en smeken om hulp. De vrouw is later aan haar verwondingen overleden. Evenals een meisje dat bij hetzelfde huis stond te schuilen. Het meisje was onderweg naar school en stond tegen het huis aangedrukt. Ze bewoog niet, en aan de blik in haar ogen zag ik dat ze overleden was. Het was verschikkelijk om te zien, en ik heb dat aangezicht nooit van mijn netvlies vandaan kunnen krijgen. Toen we thuis kwamen, rilden de jongens nog van kou en angst. “Hoe komen ze zo nat?” vroeg ik aan mijn man. “Toen we de bommen hoorden vallen, hebben Thijs en ik de jongens onder de kerry getrokken, daar hebben we geschuild. De scherven vielen om ons heen, maar vooral in de sloot. Gelukkig kregen we alleen het water uit de sloot over ons heen. We hebben zo’n geluk gehad, Teuntje, als we niet hadden geschuild dan…”. Hij maakte zijn zin niet af. - Buurtje van Dijksman, vooraan het huis dat gevorderd was door een hoge Duitse pief - Mijn man Leen was groenteman, die elke dag met zijn kar de ’s-Gravenweg op ging om zijn groenten te verkopen. Wij hadden het goed op het buurtje van Dijksman; iedereen lette op elkaar. Het zorgde voor een veilig gevoel. Hoewel de Duitsers vier dagen eerder Nederland waren binnengevallen, merkten we er in Nieuwerkerk nog niet veel van. Toen mijn man op die 14e mei het huis verliet, begon voor mij de dag. Ik had in januari 1940 mijn tweede zoontje gekregen, dus dat zorgde ervoor dat ik mijn handen vol had. Nadat ik uit bed ging, hoorde ik Jantje zachtjes huilen. Ik liep naar zijn wiegje en rook meteen wat er aan de hand was; een luier die verschoond moest worden. Een glimlach verscheen op mijn gezicht toen ik in het wiegje keek. Een teer gezichtje keek me met een glimlach aan. Na het verschonen pakte ik twee veiligheidsspelden en speldde het nieuwe doek weer vast. Ik ging naar beneden en deed de was; met twee kinderen in huis heb je ook veel. De schone was hing ik aan de waslijn in de tuin. De frisse lentewind en het zonnetje zorgden ervoor dat de was altijd zo lekker rook. Net na het middageten hoorde ik opeens een hard gebrom in de verte. Ik keek naar buiten en daar kwamen ze: vliegtuigen. Ik had ze nog nooit zo laag voorbij zien vliegen; ik kon zelfs de gez
0 reacties